
Door: Nick van den Bosch
Het gebeurt steeds vaker. Een jeugdteam kan niet trainen omdat er geen trainer beschikbaar is. Een wedstrijd komt op losse schroeven te staan omdat op het laatste moment meerdere spelers worden afgemeld. Ondertussen zoeken verenigingen voortdurend naar vaders, moeders en verzorgers die een paar uur willen helpen.
Dat schuurt. Want een kind kiest voor voetbal om samen met vriendjes en vriendinnetjes te sporten, plezier te maken en onderdeel te zijn van een team. Maar bij een teamsport hoort ook een bepaalde verantwoordelijkheid. Niet alleen van het kind, maar óók van de omgeving eromheen.
Op zaterdag lijkt een voetbalvereniging voor sommige ouders bijna hetzelfde te functioneren als een school op maandagochtend: kind bij de poort afzetten en ervan uitgaan dat binnen alles geregeld is. Alleen werkt een amateurvereniging zo niet. Achter iedere training, wedstrijd en activiteit zitten mensen die vrijwillig hun tijd beschikbaar stellen.
Mensen die meestal gewoon een baan en een gezin hebben. Die ’s avonds trainingsschema’s maken, velden indelen, wedstrijden organiseren, materialen regelen en ondertussen proberen tientallen wensen met elkaar te combineren.
En juist die mensen krijgen soms de kritiek.
Waarom traint het ene team op dat veld en het andere op een ander veld? Waarom zit mijn kind niet in het gewenste team? Waarom kan de training vandaag niet doorgaan?
Alsof iemand bewust denkt: laat ik team A eens bevoordelen en team B het lastig maken.
Natuurlijk worden binnen verenigingen fouten gemaakt. Vrijwilligerswerk betekent niet dat kritiek verboden is. Maar er zit een groot verschil tussen constructief meedenken en vanaf de zijlijn vertellen hoe het allemaal beter moet.
‘Maar ik heb geen ervaring’
Dat is misschien wel het gemakkelijkste argument om weg te nemen. Niemand wordt geboren als jeugdtrainer.
Je hoeft geen professionele trainer te zijn om kinderen een leuke training te bezorgen. Er bestaat tegenwoordig voldoende oefenstof en ondersteuning om ouders op weg te helpen. Bovendien hoeft één ouder niet ineens verantwoordelijk te worden voor een volledig seizoen. Met drie of vier ouders kun je trainingen verdelen en elkaar helpen.
Ervaring kun je opdoen. Enthousiasme en bereidheid moeten ergens beginnen.
‘Maar ik heb geen tijd’
Dat geldt voor bijna iedereen.
Werk, gezin, sociale verplichtingen en andere bezigheden vullen de week snel. Maar vrijwilligerswerk hoeft niet te betekenen dat je drie avonden en iedere zaterdag op het sportpark staat. Eén training per week, eens per twee weken helpen of af en toe inspringen kan voor een team al een enorm verschil maken.
Als tien mensen allemaal denken dat iemand anders het wel doet, gebeurt er niets. Als tien mensen ieder een klein stukje oppakken, is het probleem ineens een stuk kleiner.
‘Maar ik betaal toch contributie?’
Zeker.
Alleen koop je daarmee geen compleet verzorgde voetbalopleiding waarbij voor ieder team een betaalde trainer, leider, scheidsrechter en organisator klaarstaat. Een amateurvereniging kan juist bestaan doordat heel veel werkzaamheden vrijwillig worden uitgevoerd.
Zouden al die uren betaald moeten worden, dan zou het amateurvoetbal er financieel heel anders uitzien.
Dat is misschien wel iets wat we soms vergeten: contributie maakt je lid van een vereniging. Het maakt je geen klant van een commercieel bedrijf.
Een vereniging is geen kinderopvang
Dat klinkt misschien stevig, maar daar komt het uiteindelijk wel op neer.
De kracht van amateurvoetbal zit juist in alles wat niet te koop is. Samen naar een wedstrijd. Een ouder die training geeft. Iemand die op zaterdagochtend de doelen klaarzet. Een vrijwilliger achter de bar. Een leider die na zijn werk nog een afmelding probeert op te vangen. Mensen die een wedstrijd fluiten omdat er anders simpelweg niet gevoetbald kan worden.
Dat sociale karakter is misschien wel belangrijker geworden nu kinderen zoveel tijd achter een beeldscherm doorbrengen. Op een voetbalveld leren ze winnen, verliezen, samenwerken, rekening houden met anderen en ergens bij horen.
Maar daarvoor moeten volwassenen wel bereid zijn om dat mogelijk te maken.
En nee, niet iedereen hoeft trainer te worden. De één staat liever achter de bar, de ander organiseert een activiteit, rijdt naar uitwedstrijden, fluit een wedstrijd of helpt met materialen. Er is bijna altijd iets te doen dat past bij de beschikbare tijd en kwaliteiten.
De volgende keer dat er geen trainer beschikbaar is, een training dreigt uit te vallen of een oproep voor vrijwilligers verschijnt, kunnen we daarom eerst één andere vraag stellen voordat we naar de vereniging wijzen:
Wat kan ik zelf doen?
Want uiteindelijk is een voetbalvereniging niet van het bestuur, de jeugdcommissie of die paar vrijwilligers die er iedere week staan.
De vereniging, dat zijn we samen.
Bron: VoetbalBrabant